Toepen-begrippen van A tot Z
Aan een toeptafel hoor je woorden die je nergens anders hoort. Hier staan ze op alfabet, kort uitgelegd. Elk begrip verwijst naar de spelregels, waar je het hele verhaal leest.
Aas
De hoogste van de vier lage kaarten. In toepen is de aas lager dan de 7: de volgorde is boer, vrouw, heer, aas, 7, 8, 9, 10. Zie de kaarten.
Bedenktijd
De tijd die je online hebt voor een beurt: een kaart spelen, meegaan of niet, meespelen of uitzitten. Aan een openbare tafel 20 seconden. Loopt hij af, dan geef je het potje op. Zie bedenktijd.
Boer
De laagste kaart van het spel. Daarom is hij juist waardevol in de laatste slag: zie de boer-finish.
Boer-finish
De laatste slag van een ronde winnen met een boer. De strepen van die ronde tellen dan dubbel voor iedereen die nog meespeelde. Zie de boer-finish.
Checken
Na een roep van vuile was kun je checken: je wilt de kaarten zien. Was de vuile was echt, dan krijg jij een streep; was het bluf, dan krijgt de roeper een streep en speelt die met open kaarten. Zie checken of geloven.
Dode man
De speler die op scherp staat en zijn dodemansronde speelt. De dode man begint die ronde.
Dodemansronde
De ronde van een speler die op scherp staat. Niemand mag toepen, verliezen kost 2, en de anderen mogen uitzitten voor 1 streep. Iedere speler krijgt er één per potje. Zie de dodemansronde.
Geloven
Een vuile was niet checken. Wie niets zegt, gelooft.
Gevraagde kleur
De kleur van de eerste kaart in een slag. Wie die kleur heeft, moet hem spelen, en alleen een kaart van die kleur kan de slag winnen.
Kaartvolgorde
Van laag naar hoog: boer, vrouw, heer, aas, 7, 8, 9, 10. De tien is de hoogste kaart. Er is geen troef.
Kleine spelers klassement
Een teller die bijhoudt hoe vaak je op rij niet meeging na een toep. Bij de grens van de tafel, standaard twee keer, moet je de volgende toep meespelen. Zie het kleine spelers klassement.
Kleur bekennen
Een kaart van de gevraagde kleur spelen als je die hebt. Dat is verplicht. Zie kleur bekennen.
Leitje
Het bordje waarop je strepen staan, met krijt, per vijf doorgestreept. Online hangt onder elke stoel een leitje met het getal ernaast.
Limiet
Het aantal strepen waarbij je uit bent. Standaard 15; aan een privétafel kies je van 5 tot 20. Zie varianten.
Mee
Na een toep doorspelen voor het nieuwe aantal strepen. Het tegenovergestelde van niet mee.
Niet mee
Na een toep stoppen met de ronde. Je betaalt het aantal strepen van vóór de toep. Te vaak niet meegaan vult het kleine spelers klassement.
Op scherp
Eén streep van de limiet af staan, standaard op 14. Je volgende ronde is dan je dodemansronde. Ook wel "op skerp" of "op pelt" genoemd.
Openbare tafel
Een online tafel met spelers uit de wachtrij, van ongeveer jouw niveau. Er gelden altijd de standaardregels.
Overtoepen
Toepen in een ronde die al getoept is. Dat mag, behalve voor wie als laatste toepte. Zie overtoepen.
Potje
Een heel spel, van de eerste ronde tot er één speler over is.
Privétafel
Een online tafel die je zelf opent, met je eigen regels. Wie de code of de link heeft, kan aanschuiven. Er passen twee tot zes spelers aan.
Ronde
Vier kaarten per speler en vier slagen. Wie de laatste slag wint, wint de ronde.
Slag
Eén kaart van iedere speler die nog meedoet. De hoogste kaart van de gevraagde kleur wint de slag. Zie delen en slagen.
Streep
Een strafpunt. Je krijgt strepen door een ronde te verliezen, niet mee te gaan, een echte vuile was te checken of betrapt te worden op bluf. Zie strepen en het leitje.
Super toep
Het mogelijke einde met twee spelers over: één ronde van acht kaarten en acht slagen, waarin de winnaar van de laatste slag het potje wint. Zie de super toep.
Toep
Op je beurt de inzet van de ronde met één streep verhogen, vóór je een kaart speelt. De anderen kiezen dan mee of niet mee. Zie toepen.
Uit
Wie de limiet haalt, is uit: geen kaarten meer, wel kijken. De laatste speler die niet uit is, wint het potje.
Uitzitten
In een dodemansronde van een ander niet meespelen. Dat kost 1 zekere streep in plaats van 2 bij verlies.
Vuile was
Een hand van vier lage kaarten, boer, vrouw, heer en aas, of als de tafel het toestaat drie daarvan met een 7. Aan het begin van de ronde mag je hem ruilen voor vier nieuwe kaarten. Je mag ook bluffen, maar dan kun je gecheckt worden. Zie vuile was.
Meer weten over hoe je deze regels gebruikt? Lees de strategie of de veelgestelde vragen.