Spelregels van toepen
Toepen is een Nederlands kaartspel voor twee tot zes spelers, gespeeld met 32 kaarten. Het draait om slagen, strepen en bluf: wie de laatste slag van een ronde wint, wint die ronde, en met een toep maak je een ronde meer waard. Hieronder staan de regels zoals Toep ze speelt, online en tegen de computer. Waar een toeptafel iets met roepen beslist, staat het hier op papier.
Nieuw met het spel? Lees eerst In het kort en speel daarna een potje Leer toepen in de app of in de browser. Losse woorden staan uitgelegd bij de begrippen, en welke regels je aan je eigen tafel kunt kiezen lees je bij varianten en huisregels.
In het kort
- Iedereen krijgt vier kaarten en er worden vier slagen gespeeld. Samen heet dat een ronde.
- Alleen wie de vierde slag wint, wint de ronde. Iedereen die nog meespeelde krijgt strepen.
- Op je beurt mag je toepen: de ronde wordt dan één streep meer waard. De anderen kiezen of ze meegaan of niet.
- Wie de limiet haalt, standaard 15 strepen, is uit. De laatste speler aan tafel wint het potje.
De kaarten
Toepen speelt met 32 kaarten: van elke kleur de 7, 8, 9, 10, boer, vrouw, heer en aas. Een gewoon spel kaarten zonder de 2 tot en met 6 dus. Er is geen troef.
De volgorde van laag naar hoog is ongewoon:
boer – vrouw – heer – aas – 7 – 8 – 9 – 10
De tien is de hoogste kaart, de boer de laagste. Juist omdat de boer zo laag is, telt een ronde die je met een boer wint dubbel: zie de boer-finish.
Delen en slagen
Elke ronde krijgt iedere speler die nog in het potje zit vier kaarten. Daarna volgen vier slagen. In elke slag legt iedereen die nog meespeelt één kaart op tafel.
Wie de slag begint, kiest met zijn kaart de gevraagde kleur. De hoogste kaart van die kleur wint de slag, en wie die slag wint, begint de volgende.
Kleur bekennen
Heb je een kaart van de gevraagde kleur, dan moet je die spelen. Dat heet kleur bekennen. Heb je de kleur niet, dan speel je een kaart naar keuze, maar die kaart kan de slag niet winnen. Online dimt de tafel de kaarten die je niet mag spelen.
Wie wint de ronde
Alleen de vierde slag telt voor de ronde. De speler die de vierde slag wint, wint de ronde en krijgt niets. Iedereen die nog in de ronde zat krijgt het aantal strepen waar de ronde voor ging: één, of meer na een toep.
Een kaart die op tafel ligt, blijft meetellen. Wie een kaart speelt en daarna stopt, neemt die kaart niet terug, dus die kaart kan de slag nog winnen. Is de winnaar van een slag niet meer in de ronde, dan begint de eerstvolgende speler met de klok mee die nog wel meespeelt. Gaat het om de vierde slag, dan krijgt die speler ook de ronde, zonder boer-finish.
Wie begint
- In de eerste ronde begint een willekeurige speler.
- Binnen een ronde begint steeds de winnaar van de vorige slag.
- Vanaf de tweede ronde schuift de eerste beurt standaard één plaats door: de speler links van wie de vorige ronde begon. Een tafel kan ook kiezen voor de speler links van de winnaar van de vorige ronde.
- In een dodemansronde begint altijd de dode man.
Strepen en het leitje
Strepen zijn de punten van toepen, en je wilt er zo weinig mogelijk. Ze worden bijgehouden op een leitje: elk streepje met krijt, per vijf doorgestreept. Online hangt onder elke stoel zo'n leitje met het getal ernaast.
Strepen krijg je door:
- een ronde te verliezen: het aantal waar de ronde voor ging;
- niet mee te gaan na een toep: het aantal van vóór die toep;
- een echte vuile was te checken: één streep;
- betrapt te worden op een bluf met een vuile was: één streep;
- uit te zitten in een dodemansronde: één streep.
Sta je één streep van de limiet af, standaard op 14, dan sta je op scherp. Op de limiet ben je uit.
Toepen
Op je beurt, vóór je een kaart speelt, mag je toepen. Dat mag in elke slag, ook in de laatste. Door te toepen gaat de inzet van de ronde één streep omhoog: een ronde die voor één ging, gaat nu voor twee.
Mee of niet mee
Na een toep kiest iedereen die nog in de ronde zit om de beurt, met de klok mee vanaf de toeper:
- Mee: je speelt door voor het nieuwe aantal.
- Niet mee: je betaalt het aantal van vóór de toep en bent klaar met deze ronde. Een kaart die je in deze slag al speelde, blijft liggen en telt mee.
Gaat niemand mee, dan wint de toeper de ronde meteen, en betaalt iedereen het oude aantal.
Overtoepen
Een ronde kan meer dan eens getoept worden. Alleen wie als laatste toepte, mag niet direct weer toepen; ieder ander mag de inzet opnieuw verhogen.
Een voorbeeld
De ronde gaat voor 1 en speler 3 toept. Speler 4 gaat niet mee en krijgt 1 streep; speler 1 en 2 gaan mee. De ronde gaat nu voor 2. Een slag later toept speler 1. Dat mag, want speler 1 was niet de laatste die toepte. Speler 2 gaat niet mee en krijgt 2 strepen; speler 3 gaat mee. Wie de ronde nu verliest, krijgt er 3.
De boer-finish
Win je de vierde slag met een boer, de laagste kaart van het spel, dan tellen de strepen van die ronde dubbel voor iedereen die nog meespeelde. Wie eerder niet meeging, heeft al betaald en betaalt niet dubbel.
In het voorbeeld hierboven: wint speler 3 de laatste slag met een boer, dan krijgt speler 1 geen 3 maar 6 strepen.
Een boer in de eerste drie slagen doet niets bijzonders. Het gaat om de slag die de ronde beslist, en alleen als de winnaar nog in de ronde zat.
Vuile was
Een hand met alleen lage kaarten wint geen slag. Daarom mag je zo'n hand aan het begin van de ronde ruilen. Dat heet vuile was roepen.
Een echte vuile was is:
- vier lage kaarten: boer, vrouw, heer en aas, in welke kleuren ook; of
- als de tafel dat toestaat: drie lage kaarten en een 7.
Voor de eerste kaart van een ronde is er een kort moment, online ongeveer tien seconden, waarin iedereen vuile was mag roepen. Wie roept, legt zijn kaarten dicht neer.
Checken of geloven
Na een roep beslist ieder ander om de beurt, met de klok mee vanaf de roeper: checken of geloven. Niets zeggen is geloven. Er wordt één roep tegelijk behandeld, en een check beëindigt de ronde niet: de spelers na de checker beslissen nog steeds zelf.
Wat het kost
- Niemand checkt: de roeper krijgt vier nieuwe kaarten. Of de hand echt was, wordt nooit getoond. Een bluf die niemand checkte, blijft het geheim van de bluffer.
- Gecheckt en echt: iedere checker krijgt 1 streep en de roeper krijgt vier nieuwe kaarten. Alleen de checkers zien de kaarten.
- Gecheckt en bluf: de bluffer krijgt 1 streep, hoe hoog de ronde ook gaat, en speelt de ronde met open kaarten, zichtbaar voor iedereen.
Daarna opent het moment opnieuw voor de hele tafel. Iedereen mag weer roepen, ook de speler die net nieuwe kaarten kreeg. Wie betrapt is op bluf, mag niet meer roepen.
Opnieuw delen
Bij veel spelers kan het gebeuren dat de ene vuile was na de andere komt. Na vijf keer vuile was op rij die nieuwe kaarten opleverde, wordt de hele ronde opnieuw gedeeld, zonder strepen voor wie dan ook. Een tafel kan dat al na twee, drie of vier keer laten gebeuren.
In een dodemansronde en in een super toep mag je niet bluffen. Een echte vuile was mag je daar wel roepen.
Het kleine spelers klassement
Dit is een regel die een tafel aan of uit kan zetten. Elke keer dat je niet meegaat na een toep, telt een teller op. Bereikt die teller de grens van de tafel, standaard twee keer, dan mag je de volgende toep niet weigeren: je moet mee.
De teller gaat alleen terug naar nul als je zelf een toep meespeelt. Hij loopt het hele potje door, over de rondes heen. Uitzitten in een dodemansronde telt niet als niet meegaan.
De dodemansronde
Ook wel "op skerp staan" of "op pelt staan" genoemd. Een tafel kan deze regel aan of uit zetten; standaard staat hij aan.
Sta je op één streep van de limiet, dan wordt de volgende ronde jouw dodemansronde:
- De dode man begint.
- Voor de ronde begint, kijkt ieder ander naar zijn kaarten en kiest: meespelen, waarbij verliezen 2 strepen kost, of uitzitten voor 1 zekere streep.
- Niemand mag toepen.
- Een vuile was mag alleen als hij echt is.
- Wint de dode man met een boer, dan krijgt iedereen die meespeelde 4 strepen: 2 voor de dodemansronde, verdubbeld door de boer. Wie uitzat betaalt nog steeds 1.
- Wint de dode man, dan is de volgende ronde weer een gewone ronde. Verliest hij, dan haalt hij de limiet en is hij uit.
Iedere speler krijgt één dodemansronde per potje. Kom je daarna opnieuw op scherp, dan speel je gewoon door, en dan kun je ook nergens meer uitzitten: die ene streep zou je uit het potje zetten. Kom je in één keer van onder de grens tot over de limiet, bijvoorbeeld door een toep of een boer-finish, dan sla je de dodemansronde over en ben je meteen uit.
Komen twee spelers in dezelfde ronde op scherp, dan delen zij één dodemansronde. Ze moeten allebei meespelen, het lot bepaalt wie begint, en de anderen mogen nog steeds uitzitten voor 1 streep.
Uit
Wie de limiet haalt, krijgt geen kaarten meer en doet niet meer mee. Je mag blijven kijken hoe het potje afloopt, of de tafel verlaten.
Twee spelers over
Zijn er nog twee spelers over, dan beslist een regel van de tafel hoe het potje eindigt, nog vóór een eventuele dodemansronde:
- Gewoon: de rondes gaan door tot een van beiden de limiet haalt.
- Super toep: één beslissende ronde.
- Vragen, de standaard: beide spelers krijgen de vraag. Alleen als ze allebei ja zeggen, volgt een super toep; anders gaat het gewoon door. Wie niet antwoordt, zegt nee.
De super toep
In een super toep krijgen beide spelers acht kaarten en worden er acht slagen gespeeld. Wie de laatste slag wint, wint het potje. Niemand mag toepen. Een vuile was is hier zeven lage kaarten, of zes met een 7, en mag alleen als hij echt is. Een super toep vervangt een dodemansronde die nog zou komen.
Bedenktijd
Online heeft elke beurt een klok: een kaart spelen, meegaan of niet, meespelen of uitzitten. Aan een openbare tafel is dat 20 seconden; aan een privétafel kiest de gastheer tussen 10 en 60. Loopt de klok af, dan geef je het potje op: je strepen tellen niet meer en de anderen spelen door.
Het moment voor vuile was, een check-beurt en de vraag om een super toep zijn geen beurten maar vensters. Stilte is daar een geldig antwoord: geen vuile was, geloven, of nee. Niemand verliest er iets door.
Tegen de computer in de app loopt je eigen klok niet: de tafel wacht op jou. Aan openbare tafels geldt wel een grens: wie daar binnen zeven dagen drie keer een potje opgeeft of wegloopt, mag een week niet aan openbare tafels.